
Jurisprudentie
BF1049
Datum uitspraak2008-09-12
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/28176
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/28176
Statusgepubliceerd
Indicatie
Zicht op uitzetting / India
Uit de door verweerder overgelegde gegevens blijkt dat de Indiase autoriteiten tussen 1 juli 2007 en 22 augustus 2008 ongeveer 30 laissez-passers hebben verstrekt aan zich in bewaring bevindende vreemdelingen. Het enkele gegeven dat verweerder niet kan aangeven of deze laissez-passers ook betrekking hebben op in die periode gedane aanvragen, betekent nog niet dat er ten aanzien van eisers laissez-passeraanvraag geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn zou bestaan. De grief van eiser faalt dan ook.
Uit de door verweerder overgelegde gegevens blijkt dat de Indiase autoriteiten tussen 1 juli 2007 en 22 augustus 2008 ongeveer 30 laissez-passers hebben verstrekt aan zich in bewaring bevindende vreemdelingen. Het enkele gegeven dat verweerder niet kan aangeven of deze laissez-passers ook betrekking hebben op in die periode gedane aanvragen, betekent nog niet dat er ten aanzien van eisers laissez-passeraanvraag geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn zou bestaan. De grief van eiser faalt dan ook.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 08/28176
V-nr.: 130.513.5832
inzake:
[eiser], geboren op [1967], van (gestelde) Indiase nationaliteit, verblijvende op het Detentieplatform te Zaandam, eiser,
gemachtigde: mr. M.A.C. van Overmeire-de Vilder, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. A.M.C. de Haan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 5 augustus 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Bij beroepschrift van 5 augustus 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van 14 augustus 2008 de zaak heropend. Het beroep is opnieuw behandeld ter openbare zitting van 3 september 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.I. Vennik, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig R.B. Ray als tolk in de taal Punjabi.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 3 september 2008 geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen vragen van de zijde van de rechtbank te beantwoorden. Bij brief van 4 september 2008 heeft verweerder de vragen beantwoord. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van dezelfde datum gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven om het beroep zonder nadere zitting af te doen. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd. De maatregel van bewaring is onrechtmatig omdat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is al lange tijd bij verweerder bekend. Er had daarom ook direct een aanvraag voor een laissez-passer (lp) kunnen worden ingediend. Voorts is er geen sprake van een reëel zicht op uitzetting. Eiser heeft reeds in bewaring gezeten van 23 december 2005 tot 25 januari 2007 en van 31 juli 2007 tot 30 november 2007. De toen opgestarte trajecten hebben niet tot afgifte van een lp geleid. Voorts is het de ervaring van de gemachtigde van eiser dat de Indiase autoriteiten geen lp’s verstrekken.
Verweerder heeft het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd. De oplegging en voortduring van de maatregel is rechtmatig nu verweerder vooralsnog voldoende voortvarend handelt. Daarbij merkt verweerder op dat de oude onderzoeken naar eisers identiteit zijn gestaakt. Een nieuwe lp-aanvraag is daarom noodzakelijk, maar de oude gegevens worden daarbij wel betrokken. Voorts is er sprake van een reëel zicht op uitzetting. De Indiase autoriteiten verstrekken wel lp’s. Verweerder kan niet bevestigen of dit ook in 2008 of 2007 is gebeurd.
Na heropenening van het onderzoek heeft verweerder de navolgende informatie overgelegd.
In de periode van 1 juli 2007 tot 31 december 2007 zijn 80 lp-aanvragen bij de Indiase autoriteiten ingediend. In 2008 zijn er tot 22 augustus in totaal 110 aanvragen ingediend. De aanvragen betroffen vreemdelingen die zich op het moment van de aanvraag in vreemdelingenbewaring bevonden. De Indiase autoriteiten hebben vanaf 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 circa 20 lp’s afgegeven. Voor het jaar 2008 zijn dit er circa tien. Deze lp-verstrekkingen betreffen vreemdelingen die op het moment van lp-afgifte in vreemdelingenbewaring verbleven. Verweerder kan niet aangeven of de verstrekte lp’s betrekking hebben op de hierboven genoemde aanvragen. Gelet op de gemiddelde duur van bewaringen kan het echter niet anders zijn dan dat in ieder geval een gedeelte van de lp-afgiftes betrekking heeft op voornoemde aanvragen.
Eiser heeft hierop gesteld dat nu verweerder niet kan aangeven of de in voornoemde periode verstrekte lp’s betrekking hebben op de in die periode gedane aanvragen, verweerder niet heeft aangetoond dat er zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is. De lp’s zouden immers ook kunnen zijn verstrekt op aanvragen van vijf jaar geleden.
De rechtbank overweegt het volgende.
Ten aanzien van de vraag naar het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank als volgt. Naar vaste jurisprudentie betekent het feit dat eerdere lp-aanvragen niet tot uitzetting hebben geleid, op zichzelf nog niet dat bij genoegzame medewerking van de vreemdeling een hernieuwde aanvraag op voorhand zinloos is (o.m. AbRS 4 juni 2003, 200302227/1). Eiser heeft nagelaten te onderbouwen waarom dit in zijn geval anders ligt.
Voorts volgt uit de door verweerder overgelegde gegevens dat de Indiase autoriteiten tussen 1 juli 2007 en 22 augustus 2008 ongeveer 30 lp’s hebben verstrekt aan zich in bewaring bevindende vreemdelingen. Het enkele gegeven dat verweerder niet kan aangeven of deze lp’s ook betrekking hebben op in die periode gedane aanvragen, betekent nog niet dat er ten aanzien van eisers lp-aanvraag geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn zou bestaan. De grief van eiser faalt dan ook.
Eiser is op 5 augustus 2008 in bewaring gesteld. Op 6 augustus 2008 is hij in het detentiecentrum geplaatst. Vervolgens heeft verweerder op 15 augustus 2008 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is er een lp-aanvraag naar de lp-afdeling van de Dienst Terugkeer en Vertrek gezonden. Deze aanvraag is op 22 augustus 2008 naar de Indiase autoriteiten gestuurd. Ten slotte staat er op 16 september 2008 een presentatie in persoon gepland bij deze autoriteiten. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat verweerder vooralsnog voldoende voortvarend handelt.
Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 september 2008.
Afschrift verzonden op:
Conc.: AS
Coll: FW
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.